Basisconcepten van het Hindoeïsme

Categories: Uncategorized

In plaats van de nadruk te leggen op het belang van eenheid van geloof, benadrukt het hindoeïsme de noodzaak van oprechte spirituele beoefening. Ondanks deze flexibele benadering van geloof, worden de volgende doctrines gedeeld:

  • Atma (ziel)
  • Samsara (reïncarnatie)
  • Karma (activiteit)
  • Prakriti (materie)
  • Guna’s (kwaliteiten of hoedanigheden)
  • Maya (illusie)
  • Moksha (bevrijding)
  • Bhagavan (God)

Atma

Een gedegen begrip van dit fundamentele concept is essentieel om inzicht te krijgen in het wereldbeeld van de hindoes. Atma verwijst naar het niet-materiële, onveranderlijke zelf. Het is verschillend van zowel de geest als het lichaam. Dit ware zelf bestaat onafhankelijk van tijdelijke benamingen of identiteiten (in termen van ras, geslacht, soort, nationaliteit enz.) die we normaal aan onszelf toeschrijven.

Het bewustzijn wordt beschouwd als een kenmerk van de ziel ongeacht waar het aanwezig is (m.a.w. niet alleen mensen hebben bewustzijn). Zonder bewustzijn is het lichaam zich van niets gewaar. Kort samengevat is het atma (de individuele ziel) spiritueel oftewel Brahman, onveranderlijk, eeuwig en bewust, terwijl het lichaam materieel, tijdelijk en onbewust is. Op het moment van de dood draagt het subtiele (astrale) lichaam de ziel naar een ander lichaam. Het volgende lichaam wordt bepaald door de geestestoestand van de persoon tijdens de dood en door de verlangens die de ziel heeft.

Samsara

Samsara of de cyclus van reïncarnatie verwijst naar de overgang van het ene lichaam naar een andere (dit kan een lichaam zijn in gelijk welke levenssoort). Hindoes geloven dat bewustzijn in alle levensvormen aanwezig is, zelfs in vissen en planten. Hoewel de ziel in alle soorten aanwezig is, is haar potentieel in verschillende mate zichtbaar. In waterdieren en planten is het bewustzijn het meest ‘bedekt’, nagenoeg in slaap, terwijl het in de mens het wakkerst is. Deze bewustzijnsontwikkeling is zichtbaar in alle zes ‘levensklassen’: 1. waterdieren, 2. planten, 3. insecten en reptielen, 4. vogels, 5. dieren en 6. mensen. De meeste hindoes beschouwen samsara hoofdzakelijk als iets pijnlijks, een cyclus van vier problemen: geboorte, ziekte, ouderdom en dood.

Karma

De universele wet van karma (actie en reactie) bepaalt het unieke lot van elke ziel. De zelfbeschikking en aansprakelijkheid van de individuele ziel berust op haar vrije wil. Alleen in de menselijke levensvorm kan de ziel handelen op basis van die vrije wil. In lagere levenssoorten neemt het atma geen morele beslissingen, maar handelt het uit instinct. Hoewel alle levenssoorten onderhevig zijn aan de reacties op vroegere activiteiten, wordt karma alleen opgewekt in de menselijke levensvorm — alleen de mens leidt een leven van verantwoordelijkheid. In de Bhagavad-gita wordt karma onderverdeeld in drie soorten menselijke activiteiten: 1. karma of activiteiten die verheffend zijn, 2. vikarma of activiteiten die verlagend zijn en 3. akarma of activiteiten die geen goede en geen slechte reacties veroorzaken en daarom naar bevrijding leiden.

Prakriti

Prakriti of materie is inert, tijdelijk en onbewust. Alles wat uit materie bestaat ondergaat drie stadia: 1. het wordt voortgebracht, 2. bestaat voor enige tijd en 3. wordt onvermijdelijk vernietigd.

Guna’s

Materie bestaat uit drie kwaliteiten of hoedanigheden (guna’s), die corresponderen met schepping, instandhouding en vernietiging. De guna’s zijn:

  • sattva of goedheid is zuiver, verheffend, verlichtend
  • rajas of passie stimuleert ons om te scheppen, te verwerven en te genieten
  • tamas of onwetendheid is vuil, verlagend, misleidend en destructief

Alle materiële verschijnselen kunnen in termen van de guna’s worden uitgelegd. In overeenstemming met haar voorkeur voor een bepaalde hoedanigheid neemt de ziel een overeenkomstig lichaam aan. Wie door goedheid wordt beïnvloed, wordt op het moment van de dood verheven naar de hemelse planeten; wie grotendeels wordt beïnvloed door passie, blijft in de menselijke samenleving; en wie beïnvloed wordt door onwetendheid, gaat naar de lagere levenssoorten.

Maya

Maya of illusie verwijst naar dat wat niet bestaat. Onder invloed van de drie guna’s is de ziel zo verward, dat ze zich identificeert met het lichaam. Ze denkt bijvoorbeeld: ‘Ik ben blank en ik ben een man.’ Of: ‘Dit is mijn huis, mijn land en mijn religie.’ Op die manier identificeert de verwarde ziel zich met het tijdelijke lichaam en alles wat daarmee verband houdt, zoals ras, geslacht, familie, natie en banksaldo. Door deze valse identiteit probeert het atma (de individuele ziel) de materie te beheersen en ervan te genieten. Door sattva (de kwaliteit of hoedanigheid goedheid) te ontwikkelen kan de ziel geleidelijk vooruitgang maken naar een zuiver spiritueel bestaan en zo uiteindelijk volkomen bevrijd worden van de invloed van de drie guna’s, inclusief goedheid.

 Moksha

De meeste hindoetradities beschouwen moksha — de bevrijding van samsara, maya en de invloed van de drie guna’s — als het uiteindelijke doel van het leven. De meningen zijn vooral verdeeld over wat moksha precies is. Hoewel nagenoeg alle richtingen het als een staat van eenheid met God beschouwen, is de exacte aard van die eenheid omstreden. Voor de Advaita-traditie of de monistische tradities in het algemeen gaat moksha noodzakelijk gepaard met de vernietiging van de illusoire individualiteit van de ziel; moksha is voor hen de verwerkelijking van het volledig niet-verschillend zijn van de ziel en God. Maar de Dvaita-tradities of dualistische tradities betogen dat God altijd verschillend blijft van de individuele ziel of atma, zelfs nadat de ziel bevrijding heeft bereikt van haar valse identiteit. Ook beweren die tradities dat eenheid met God naar een eenheid van doel verwijst, een eenheid waarin de individuele ziel overgave, dienstbaarheid en liefde ontwikkelt voor het Allerhoogste Brahman of God.

Bhagavan

In het hindoeïsme zijn er, afhankelijk van de traditie of het aspect van de Allerhoogste Waarheid dat men probeert te presenteren, vele namen voor God. Vele hindoes beschrijven God als sat-cid-ananda of vol eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid. Die kenmerken corresponderen met de drie hoofdkenmerken van de Allerhoogste:

  1. Brahman verwijst naar het alomtegenwoordige aspect van God. In de geschriften staat: ‘Alles is Brahman.’ We worden ons bewust van Gods sat– of eeuwigheidsaspect door onze eigen eeuwige natuur als atma te begrijpen.
  2. Paramatma of Antaryami betekent ‘de innerlijk heerser’ en verwijst naar God in het hart van alle levende wezens. Hij wordt veelal aangeduid als de Superziel en is aanvankelijk waar te nemen door fenomenen als geheugen, instinct, intelligentie, inspiratie en uitzonderlijke vaardigheid. Voor vele mystieke yogi’s is Hij het object en doel van meditatie. Dit kenmerk van God vertegenwoordigt Zijn cit– of kennisaspect.
  3. Bhagavan betekent: ‘Hij die onbeperkte volheid bezit’. Deze naam verwijst naar God die voorbij deze materiële wereld bestaat. Bhagavan is de Allerhoogste Persoon en de individuele ziel kan een directe relatie met Hem aangaan, waardoor de ziel ananda of spiritueel plezier ervaart. Dit is Zijn ananda– of gelukzaligheidsaspect.

Deze drie aspecten van God hebben een plaats in de meeste tradities hoewel die tradities verdeeld zijn over de onderlinge verhouding tussen die aspecten. Vaak beschouwen ze een kenmerk belangrijker dan de andere twee. Ook verschillen ze van mening over de exacte identiteit van God en over hun beeld van de vele goden en godinnen.